Plan: Buitengebied Zuid
Idn: NL.IMRO.0758.BP2009059001-0401
Plantype: gemeentelijke overheid/bestemmingsplan
Status: Vastgesteld
Planregels
Op deze pagina vindt u de regels behorende bij het plan Buitengebied Zuid.

Artikel 3 Agrarisch

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening, waaronder ook intensieve veehouderijen voor zover deze zijn gelegen op een duurzame locatie en glastuinbouwbedrijven ter plaatse van de aanduiding;

  2. verspreid liggende legale bebouwing zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan voor zover die niet gelegen is binnen een bouwvlak;

  3. extensief recreatief medegebruik.

 

3.2 Bouwregels

Op of in de tot Agrarisch bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd noodzakelijk voor en ten dienste van de genoemde bestemming, waaronder teeltondersteunende voorzieningen met dien verstande dat:

  1. alle bebouwing, met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, terreinafscheidingen tot een hoogte van maximaal 1,50 meter en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief gebruik, binnen het aangegeven bouwvlak dienen te worden gebouwd;

  2. per bouwvlak slechts één agrarisch bedrijf aanwezig mag zijn;

  3. goothoogte gebouwen: maximaal 7 meter;

  4. bouwhoogte: maximaal 10 meter met uitzondering van kassen waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter mag bedragen en met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen waarvan de hoogte maximaal 2,5 mag bedragen;

  5. de bebouwing als bedoeld in 3.1 onder b mag worden gehandhaafd in zijn huidige omvang en als zodanig ook geheel worden vervangen;

  6. de nieuwbouw of renovatie van kassen slechts is toegestaan binnen een bouwvlak voorzien van de aanduiding 'glastuinbouw' tenzij het betreft de bouw of renovatie van permanente teeltondersteunende kassen in welk geval deze een maximale oppervlakte mogen hebben van 5000 m²;

  7. per bouwvlak mag slechts één bedrijfswoning aanwezig zijn c.q. gebouwd worden, met uitzondering van de locaties ter plaatse van de aanduiding 'wonen niet toegestaan', met een inhoud van maximaal 750 m³;'

  8. voor het wonen mag per bedrijfswoning een of meerdere bijgebouwen aanwezig zijn met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 75 m², een goothoogte van maximaal 3 meter en een bouwhoogte van maximaal 5 meter;

  9. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor wat betreft terreinafscheidingen maximaal 2 meter mag bedragen, voor wat betreft voerkuilen maximaal 2,5 meter en voor het overige 4 meter mag bedragen met uitzondering van mest-, voeder-, CO2- of watersilo's en kleine windmolens waarvan de hoogte maximaal 16 meter mag bedragen;

  10. met betrekking tot het bouwen van gebouwen wordt, voordat een bouwvergunning wordt verleend, advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.

 

3.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen :

  1. van het bepaalde in lid 3.2 onder g voor de bouw van een tweede agrarische bedrijfswoning binnen het bouwvlak met dien verstande dat:

    1. de bouw van de tweede woning uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering ter plaatse noodzakelijk is;

    2. het betreft een bedrijf met een arbeidsbehoefte van minimaal twee volwaardige arbeidskrachten en waarvan de continuïteit op de langere termijn is gewaarborgd;

    3. de woning qua ligging in duidelijke ruimtelijke samenhang met de bestaande bebouwing wordt gebouwd;

    4. vooraf over de noodzakelijkheid van de extra bedrijfswoning en de continuïteit van het bedrijf advies wordt ingewonnen van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;

    5. verder voldaan wordt aan het bepaalde in lid 3.2 met betrekking tot de bouwregels voor bedrijfswoningen.

  2. van het bepaalde in lid 3.2 voor het plaatsen van stacaravans en/of woonunits of de verbouwing van een bedrijfsgebouw voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders met dien verstande dat:

    1. het gebruik als tijdelijke huisvesting slechts is toegestaan gedurende maximaal 6 maanden per jaar hetgeen dient te worden aangetoond aan de hand van een registratie;

    2. deze dienen te worden geplaatst binnen het bouwvlak van het betreffende bedrijf;

    3. per bedrijf maximaal 40 seizoensarbeiders mogen worden gehuisvest;

    4. de noodzaak tot het hebben en huisvesten van seizoensarbeiders op het bedrijf afdoende is aangetoond waartoe een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen vereist is;

    5. een goede landschappelijke inpassing, op basis van een uitvoerbaar erfinrichtingsplan, verzekerd is;

    6. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen voor de omliggende bedrijven.

  3. van het bepaalde in lid 3.2 voor het toestaan en inrichten van een verblijfsrecreatieve voorziening in de bedrijfswoning of een bestaand bijgebouw in de vorm van een bed en breakfast met dien verstande dat:

    1. de bedrijfswoning geschikt blijft voor zelfstandige bewoning;

    2. maximaal 400 m² bedrijfsbebouwing voor deze functie mag worden gebruikt met dien verstande dat indien sprake is van een niet langer in bedrijf zijnd agrarisch bedrijf de overige bebouwing dient te worden gesloopt voor zover dit geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing betreft;

    3. de bedrijfswoning of het bijgebouw ten behoeve van deze functie niet mag worden uitgebreid;

    4. voor zover de locatie is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'functieverruimingsgebied' maximaal 15 slaapplaatsen aanwezig mogen zijn en voor zover gelegen buiten deze aanduiding maximaal 6 slaapplaatsen;

    5. er geen cumulatie plaatsvindt met overige vormen van recreatie;

    6. de agrarische bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet worden beperkt;

    7. de te ontwikkelen activiteiten geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt.

  4. voor het verbouwen van een bijgebouw tot afhankelijke woonruimte in het kader van de mantelzorg met dien verstande dat:

    1. maximaal 75 m2 van het bijgebouw hiervoor mag worden aangewend;

    2. het te verbouwen bijgebouw een ruimtelijke eenheid vormt met de woning;

    3. de zorgvraag dient afgeleid te kunnen worden uit een indicatie in het kader van Wet maatschappelijke ondersteuning en beperkt dient te blijven tot het verlenen van zorg aan familieleden;

    4. de afhankelijke woonruimte niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de omgeving;

    5. er geen strijd mag ontstaan met milieuregelgeving op het gebied van geluid en geur en geen belemmering mag opleveren in het kader van de bedrijfsvoering voor omliggende bedrijven;

    6. zodra de noodzaak van mantelzorg is komen te vervallen het gebruik van het bijgebouw als afhankelijke woonruimte moet worden beëindigd.

  5. van het bepaalde in lid 3.2 onder c en d tot een maximale hoogte van respectievelijk 9 en 15 meter indien dit is ingegeven vanuit dierwelzijnseisen of andere milieuaspecten met dien verstande dat deze ontheffing niet van toepassing is op kassen.

  6. van het bepaalde in 3.2 voor de bouw van tijdelijke bouwwerken ten behoeve van het bouwen van een carnavalswagen met dien verstande dat:

    1. deze binnen een bouwvlak worden geplaatst;

    2. deze geen grotere hoogte hebben dan 10 meter;

    3. deze geen grotere oppervlakte hebben dan 250 m2;

    4. deze maximaal gedurende 6 maanden per jaar mogen worden geplaatst en na afloop van die termijn dienen te worden verwijderd.

 

3.4 Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 24 lid 24.2 voor:

  1. het kamperen bij de boer met dien verstande dat:

    1. de kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, binnen het bouwvlak of binnen een straal van 50 meter aansluitend aan het bouwvlak, moeten worden geplaatst;

    2. het aantal kampeermiddelen per agrarisch bedrijf niet meer bedraagt dan 15 ;

    3. deze geplaatst mogen zijn in de periode gelegen tussen 15 maart en 31 oktober;

    4. een goede landschappelijke inpassing, op basis van een uitvoerbaar erfinrichtingsplan, verzekerd is;

    5. de nabijgelegen agrarische bedrijven hierdoor niet in het hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

    6. de te ontwikkelen activiteiten geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt;

    7. de kampeeractiviteit(en) na beëindiging van de agrarische functie ter plaatse niet meer is(zijn) toegestaan en moet(en) worden beëindigd;

  2. het toestaan van nevenactiviteiten en/of activiteiten in het kader van de verbrede landbouw met dien verstande dat:

    1. ter plaatse een agrarisch bedrijf als hoofdfunctie aanwezig is en wordt gehandhaafd;

    2. de activiteit(en) na beëindiging van de agrarische functie niet meer is(zijn) toegestaan en moet(en) worden beëindigd;

    3. voor de activiteiten in totaal qua bebouwing maximaal 400 m² mag worden aangewend waarvan voor huisverkoop van eigen geproduceerde producten maximaal 100 m² mag worden gebruikt en voor ondergeschikte horeca-activiteiten maximaal 50 m²;

    4. buitenopslag ten behoeve van de gewenste functie niet is toegestaan;

    5. de uitoefening van de activiteit geen uitbreiding van de bebouwing of uitbreiding van het bouwvlak tot gevolg mag hebben;

    6. de te ontwikkelen activiteiten geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt.

  3. het toestaan van een dagrecreatieve voorziening, in het kader van de verbrede landbouw in de vorm van een doolhof van tijdelijke gewassen zoals maïs of gras, met dien verstande dat:

    1. de activiteit aansluitend aan het agrarisch bouwvlak wordt gesitueerd;

    2. de totale oppervlakte voor de activiteit niet meer bedraagt dan 2,5 ha;

    3. de te ontwikkelen activiteit geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt.

  4. het toestaan van statische opslag indien sprake is van beëindiging van de agrarische activiteiten met dien verstande dat indien de locatie is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'functieverruimingsgebied' maximaal 1000 m2 hiervoor mag worden aangewend en daarbuiten maximaal 750 m2 en het meerdere aan bedrijfsgebouwen, waaronder ook kassen, wordt gesloopt.

  5. voor het bieden van extra woonverblijf in de bedrijfswoning of een bedrijfsgebouw voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders met dien verstande dat:

    1. de tijdelijke bewoning maximaal gedurende 6 maanden per jaar mag plaatsvinden;

    2. de noodzakelijkheid van extra arbeidskrachten voor de gevraagde periode en gelet op de activiteit op het bedrijf afdoende is aangetoond waartoe een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen te Tilburg dient te worden overgelegd;

    3. deze tijdelijke huisvesting alleen mag worden ingericht voor werknemers die alleen te werk zijn of worden gesteld op het bedrijf waar zij worden gehuisvest;

    1. in de bedrijfswoning maximaal 15 seizoensarbeiders/personen mogen worden gehuisvest.

  1. van het bepaalde in artikel 24, lid 24.2 onder a voor het gebruik van een gebouw voor het bouwen van een carnavalswagen met dien verstande dat het gebruik slechts is toegestaan gedurende maximaal 6 maanden per jaar.

 

3.4 Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 24 lid 24.2 voor:

  1. het kamperen bij de boer met dien verstande dat:

    1. de kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, binnen het bouwvlak of binnen een straal van 50 meter aansluitend aan het bouwvlak, moeten worden geplaatst;

    2. het aantal kampeermiddelen per agrarisch bedrijf niet meer bedraagt dan 15 ;

    3. deze geplaatst mogen zijn in de periode gelegen tussen 15 maart en 31 oktober;

    4. een goede landschappelijke inpassing, op basis van een uitvoerbaar erfinrichtingsplan, verzekerd is;

    5. de nabijgelegen agrarische bedrijven hierdoor niet in het hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

    6. de te ontwikkelen activiteiten geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt;

    7. de kampeeractiviteit(en) na beëindiging van de agrarische functie ter plaatse niet meer is(zijn) toegestaan en moet(en) worden beëindigd;

  2. het toestaan van nevenactiviteiten en/of activiteiten in het kader van de verbrede landbouw met dien verstande dat:

    1. ter plaatse een agrarisch bedrijf als hoofdfunctie aanwezig is en wordt gehandhaafd;

    2. de activiteit(en) na beëindiging van de agrarische functie niet meer is(zijn) toegestaan en moet(en) worden beëindigd;

    3. voor de activiteiten in totaal qua bebouwing maximaal 400 m² mag worden aangewend waarvan voor huisverkoop van eigen geproduceerde producten maximaal 100 m² mag worden gebruikt en voor ondergeschikte horeca-activiteiten maximaal 50 m²;

    4. buitenopslag ten behoeve van de gewenste functie niet is toegestaan;

    5. de uitoefening van de activiteit geen uitbreiding van de bebouwing of uitbreiding van het bouwvlak tot gevolg mag hebben;

    6. de te ontwikkelen activiteiten geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt.

  3. het toestaan van een dagrecreatieve voorziening, in het kader van de verbrede landbouw in de vorm van een doolhof van tijdelijke gewassen zoals maïs of gras, met dien verstande dat:

    1. de activiteit aansluitend aan het agrarisch bouwvlak wordt gesitueerd;

    2. de totale oppervlakte voor de activiteit niet meer bedraagt dan 2,5 ha;

    3. de te ontwikkelen activiteit geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt.

  4. het toestaan van statische opslag indien sprake is van beëindiging van de agrarische activiteiten met dien verstande dat indien de locatie is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'functieverruimingsgebied' maximaal 1000 m2 hiervoor mag worden aangewend en daarbuiten maximaal 750 m2 en het meerdere aan bedrijfsgebouwen, waaronder ook kassen, wordt gesloopt.

  5. voor het bieden van extra woonverblijf in de bedrijfswoning of een bedrijfsgebouw voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders met dien verstande dat:

    1. de tijdelijke bewoning maximaal gedurende 6 maanden per jaar mag plaatsvinden;

    2. de noodzakelijkheid van extra arbeidskrachten voor de gevraagde periode en gelet op de activiteit op het bedrijf afdoende is aangetoond waartoe een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen te Tilburg dient te worden overgelegd;

    3. deze tijdelijke huisvesting alleen mag worden ingericht voor werknemers die alleen te werk zijn of worden gesteld op het bedrijf waar zij worden gehuisvest;

    4. in de bedrijfswoning maximaal 15 seizoensarbeiders/personen mogen worden gehuisvest.

  6. van het bepaalde in artikel 24, lid 24.2 onder a voor het gebruik van een gebouw voor het bouwen van een carnavalswagen met dien verstande dat het gebruik slechts is toegestaan gedurende maximaal 6 maanden per jaar.

 

3.5 Aanlegvergunning

Ten aanzien van het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden is het bepaalde in artikel 24, lid 24.6.1 van toepassing.

 

3.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van het bepaalde in artikel 24 lid 24.5 van deze bestemmingsregels het bestemmingsplan te wijzigen:

  1. voor het vergroten en/of veranderen van de vorm van de aanduiding 'bouwvlak', met uitzondering van de bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding 'wonen niet toegestaan', met dien verstande dat:

    1. de oppervlakte van het bouwvlak niet groter wordt dan 2,5 ha met uitzondering van de bouwvlakken met de aanduiding "glastuinbouw", waarvan de oppervlakte maximaal 3,5 ha mag gaan bedragen waarbinnen maximaal 3 ha netto glas is toegestaan met dien verstande dat indien het bouwvlak aan zijn maximum zit dit nog eenmalig met maximaal 15% mag worden uitgebreid indien dit noodzakelijk is vanuit dierwelzijns- of andere milieueisen;

    2. uitbreiding van het bouwvlak noodzakelijk is om de continuïteit van het bedrijf voor langere tijd te waarborgen en een ingediend bouwplan daartoe aanleiding geeft;

    3. uitbreiding van het bouwvlak verantwoord is vanuit natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard;

    4. vooraf over de noodzakelijkheid hiervan en de continuïteit van het bedrijf advies wordt ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;

    5. de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar wordt verbeterd middels plaatsing van de bebouwing en/of de landschappelijke inpassing van de bebouwing hetgeen verzekerd wordt middels een over te leggen erfinrichtingsplan.

  2. voor het deels wijzigen van de bestemming 'Agrarisch' met de aanduiding 'bouwvlak' in de bestemming 'Wonen' en het restant van het 'bouwvlak' te verwijderen met dien verstande dat:

    1. gebleken is dat de locatie ongeschikt is voor agrarisch hergebruik;

    2. sanering in redelijkheid niet kan worden verlangd;

    3. de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven niet worden beknot;

    4. aan cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden en milieuhygiënische en water- en bodemhuishoudkundige aspecten geen onevenredige schade wordt toegebracht ;

    5. de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt, en deze sloop afdoende is verzekerd, waarbij 15% met een maximum van 200 m2, mag worden gehandhaafd als bijgebouw tenzij het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing betreft hetgeen blijkt uit het feit dat deze gebouwen zijn aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument dan wel de cultuurhistorische waarde afdoende blijkt uit een overgelegd bouwhistorisch onderzoek.

  3. voor het wijzigen van de bestemming, bij beëindiging van de agrarische activiteiten binnen een 'bouwvlak', naar de bestemming 'Bedrijf', onder verwijdering van het restant van het 'bouwvlak', met dien verstande dat:

    1. de locatie moet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'functieverruimingsgebied', tenzij het betreft de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf of een agrarisch verwant bedrijf in welk geval de locatie hier buiten mag zijn gelegen;

    2. slechts bedrijven zijn toegestaan met een milieubelastingcategorie 1 en 2 zoals deze zijn aangegeven in de als bijlage A bij deze regels opgenomen lijst van Bedrijven en Inrichtingen dan wel bedrijven welke niet zijn genoemd maar welke qua aard en milieubelasting zijn gelijk te stellen met de in de lijst genoemde bedrijven binnen de categorieën 1 en 2;

    3. maximaal 400 m² van de bestaande bebouwing voor deze bestemming mag worden gebruikt en de overige aanwezige bebouwing', niet zijnde de woning, wordt gesloopt, welke sloop afdoende verzekerd is, tenzij het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing betreft en met dien verstande dat als er minder oppervlakte aan bebouwing aanwezig is deze bestaande bebouwing niet mag worden uitgebreid;

    4. de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar wordt verbeterd middels plaatsing van de bebouwing en of de landschappelijke inpassing van de bebouwing hetgeen verzekerd wordt middels een over te leggen erfinrichtingsplan;

    5. het gebruik van de betreffende bebouwing voor agrarische activiteiten niet meer mogelijk is;

    6. de nieuwe functie geen extra belemmering op gaat leveren voor de in de omgeving aanwezige agrarische bedrijven;

    7. de te ontwikkelen activiteiten geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt.

  4. voor het wijzigen van deze bestemming voor zover deze is voorzien van de aanduiding 'bouwvlak' naar de bestemming 'Bedrijf' met de aanduiding 'paardenhouderij' met dien verstande dat:

    1. voor zover de locatie is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'functieverruimingsgebied' voor het bedrijf een rijhal aanwezig mag zijn groter dan 1000 m² en in de overige gebieden maximaal 1000 m²;

    2. het bouwvlak een maximale oppervlakte mag hebben van 1,5 ha;

    3. de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar wordt verbeterd middels plaatsing van de bebouwing en of landschappelijke inpassing van de bebouwing hetgeen verzekerd wordt middels een over te leggen erfinrichtingsplan;

    4. horeca is toegestaan als ondersteunende functie voor welke ondersteunende functie maximaal 100 m² bebouwing mag worden gebruikt;

    5. de nieuwe functie geen extra belemmering op gaat leveren voor de in de omgeving reeds aanwezige bedrijvigheid;

    6. de te ontwikkelen activiteiten geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt.

    7. parkeren voor het bedrijf op eigen terrein dient plaats te vinden.

  5. voor het verwijderen van de aanduiding 'wonen niet toegestaan' voor het oprichten van een eerste bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf met dien verstande dat:

    1. het een volwaardig agrarisch bedrijf betreft;

    2. de te bouwen woning noodzakelijk is om de continuïteit van het bedrijf voor langere tijd te waarborgen;

    3. de bouw van een woning verantwoord is vanuit natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard;

    4. vooraf over de volwaardigheid van het bedrijf en noodzakelijkheid van de bouw van een woning en de continuïteit van het bedrijf advies wordt ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.

  6. voor wijziging van de bestemming naar de bestemming 'Natuur' voor de realisatie van een ecologische verbinding.