Plan: Buitengebied Zuid
Idn: NL.IMRO.0758.BP2009059001-0401
Plantype: gemeentelijke overheid/bestemmingsplan
Status: Vastgesteld
Planregels
Op deze pagina vindt u de regels behorende bij het plan Buitengebied Zuid.

Artikel 6 Bedrijf

 

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijfsdoeleinden anders dan agrarische activiteiten, met dien verstande dat binnen een bestemmingsvlak enkel bedrijven zijn toegestaan in de categorieën 1 t/m 2 zoals aangegeven in de bij deze regels als bijlage A gevoegde lijst van Bedrijven en inrichtingen dan wel bedrijven welke niet zijn genoemd maar welke qua aard en milieubelasting zijn gelijk te stellen met de in de lijst genoemde bedrijven binnen de categorieën 1 en 2 tenzij anders is aangeduid;
    met de daarbij behorende:

  2. erven en terreinen.

 

6.2 Bouwregels

Op of in de tot Bedrijf bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd noodzakelijk voor en ten dienste van de genoemde bestemming, met dien verstande dat:

  1. gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd;

  2. bedrijfsgebouwen met maximaal 25 % van het bestaande bebouwde oppervlak ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan mogen worden uitgebreid voor zover het agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch technisch hulpbedrijf betreft, met uitzondering van de diverse vormen van paardenhouderij niet zijnde een manege, en maximaal 15% voor de overige bedrijven;

  3. de goothoogte van de gebouwen mag maximaal 7 meter bedragen, tenzij de gronden zijn aangeduid als 'nutsvoorziening' in welk geval de goothoogte maximaal 4 meter mag bedragen;

  4. de bouwhoogte van de gebouwen mag maximaal 10 meter bedragen met uitzondering van de gronden aangeduid als 'nutsvoorziening' in welk geval de bouwhoogte maximaal 4 meter mag bedragen;

  5. voorzover de gronden zijn bestemd voor een paardenhouderij als bedoeld onder b wordt bepaald dat:

    1. voor zover het bestemmingsvlak is gelegen binnen de bestemming 'Agrarisch' en ter plaatse van de aanduiding 'functieverruimingsgebied' mag een rijhal aanwezig zijn met een omvang groter dan 1000 m² maar op basis van bestaande situatie, bedrijfsvorm en omgevingsfactoren een maximale oppervlakte mag hebben van 4000 m2;

    2. voor zover het bestemmingsvlak is gelegen buiten de aanduiding 'functieverruimingsgebied', maar binnen de bestemmingen "Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden- landschapswaarden' mag een bijbehorende rijhal geen grotere oppervlakte hebben dan 1000 m2;

  6. per bedrijf één dienstwoning aanwezig mag zijn voor zover deze ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van het plan reeds aanwezig is; de inhoud van de dienstwoning ten hoogste 750 m³ mag bedragen tenzij de dienstwoning bestaat uit een boerderij met geïntegreerde bedrijfsruimte in welk geval de inhoud gelijk mag zijn aan het bestaande bouwvolume onder de voorwaarde dat de boerderij in zijn oorspronkelijke karakter wordt gehandhaafd;

  7. voor het wonen mag per bedrijfswoning een of meerdere bijgebouwen aanwezig zijn met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 75 m², een goothoogte van maximaal 3 meter en een bouwhoogte van maximaal 5 meter;

  8. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 5 meter bedragen met uitzondering van terreinafscheidingen waarvan de hoogte maximaal 2 meter mag bedragen;

  9. indien ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het bestemmingsplan de maatvoering van gebouwen en/of het aantal dienstwoningen hetgeen hiervoor is bepaald overschrijdt, geldt de bestaande maatvoering voor deze gebouwen c.q. het aantal aanwezige dienstwoningen als maximum.

 

 

 

 

 

6.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in de bouwregels:

  1. voor het verbouwen van een bijgebouw tot afhankelijke woonruimte in het kader van de mantelzorg met dien verstande dat:

      1. maximaal 75 m2 van het bijgebouw hiervoor mag worden aangewend;

      2. het te verbouwen bijgebouw een ruimtelijke eenheid vormt met de woning;

      3. de zorgvraag dient afgeleid te kunnen worden uit een indicatie in het kader van Wet maatschappelijke ondersteuning en dient beperkt te blijven tot het verlenen van zorg aan familieleden;

      4. de afhankelijke woonruimte mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de omgeving;

      5. er mag geen strijd ontstaan met milieuregelgeving op het gebied van geluid en geur en mag geen belemmering opleveren in het kader van de bedrijfsvoering voor omliggende bedrijven;

      6. zodra de noodzaak van mantelzorg is komen te vervallen het gebruik van het bijgebouw als afhankelijke woonruimte moet worden beëindigd.

 

  1. van het bepaalde in 6.2 voor de bouw van tijdelijke bouwwerken ten behoeve van het bouwen van een carnavalswagen met dien verstande dat:

    1. deze binnen een bouwvlak worden geplaatst;

    2. deze geen grotere hoogte hebben dan 10 meter;

    3. deze geen grotere oppervlakte hebben dan 250 m2;

    4. deze maximaal gedurende 6 maanden per jaar mogen worden geplaatst en na afloop van die termijn dienen te worden verwijderd.

 

6.4 Specifieke gebruiksregels

Voor het gebruik van de gronden en gebouwen is het bepaalde in artikel 24 lid 24.2 van toepassing. Als strijdig gebruik van de gebouwen wordt in ieder geval begrepen gebruik van de gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'opslag' anders dan voor statische opslag voor zover deze zijn gelegen buiten de gebieden ter plaatse van de aanduiding 'overig-functieverruimingsgebied'.

6.5 Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 24 lid 24.2 onder a voor het gebruik van een gebouw voor het bouwen van een carnavalswagen met dien verstande dat het gebruik slechts is toegestaan gedurende maximaal 6 maanden per jaar.

6.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van het bepaalde in artikel 24 lid 24.5 van deze planregels het plan te wijzigen voor het wijzigen van de bestemming 'Bedrijf" in de bestemming "Wonen" met dien verstande dat:

  1. aan cultuurhistorische, landschappelijke of natuurlijke waarden geen onevenredige schade wordt toegebracht;

  2. de voormalige bedrijfsgebouwen worden gesloopt waarbij 15% met een maximum van 200 m², mag worden gehandhaafd als bijgebouw tenzij het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing betreft hetgeen blijkt uit het feit dat deze gebouwen zijn aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument dan wel de cultuurhistorische waarde afdoende blijkt uit een overgelegd bouwhistorisch onderzoek.